
Jurisprudentie
AQ1030
Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200305638/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-14
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200305638/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 12 november 2002 heeft appellante sub 2 (hierna: het college) aan appellante sub 3 (hierna: de stichting) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 20, derde lid, sub a van het Besluit op de ruimtelijke ordening en bouwvergunning verleend voor de bouw van een uitbreiding van de basisschool op het perceel, plaatselijk bekend Kerkstraat 15, kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie T, nummer 1209..
Uitspraak
200305638/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellante sub 1], gevestigd te Bergen,
2. het college van burgemeester en wethouders van Bergen,
3. de stichting “Stichting Katholiek Basisonderwijs Gemeente Bergen (Limburg)”, gevestigd te Bergen,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 12 augustus 2003 in het geding tussen:
appellante sub 1
en
appellante sub 2.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2002 heeft appellante sub 2 (hierna: het college) aan appellante sub 3 (hierna: de stichting) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 20, derde lid, sub a van het Besluit op de ruimtelijke ordening en bouwvergunning verleend voor de bouw van een uitbreiding van de basisschool op het perceel, plaatselijk bekend Kerkstraat 15, kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie T, nummer 1209.
Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college het daartegen door appellante sub 1 (hierna: de maatschap) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in de uitspraak en de voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat de op 12 november 2002 verleende vrijstelling en bouwvergunning worden geschorst tot het college opnieuw op het bezwaar heeft beslist. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de maatschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2003, de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2003 en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2003 hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brieven van 20 november 2003 respectievelijk van 5 december 2003 hebben de maatschap en de stichting een memorie ingediend. Bij brief van 9 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2004, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. A.A.T. Stoffels, gemachtigde, de stichting, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. J.M.V. Dubelaar, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door H.S.W. Banken en ing. J.F.C. ten Haaf, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De maatschap exploiteert een tuinbouw- en akkerbouwbedrijf dat zich uitstrekt over verschillende percelen, waarop gedeeltelijk het bestemmingsplan “Kom Bergen” en gedeeltelijk het bestemmingsplan “Buitengebied 1998” van toepassing is, en die zijn gelegen naast het perceel waarop de uitbreiding van de school is voorzien. Het bestaande schoolgebouw staat schuin ten opzichte van de perceelsgrens. De kortste afstand tot die grens bedraagt twee meter. De beoogde uitbreiding ligt op dezelfde afstand en loopt evenwijdig aan de perceelsgrens.
2.2. De maatschap betoogt dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de bouw ten onrechte de op het bedrijf van toepassing zijnde milieucirkel van 50 meter niet als een vaststaand gegeven heeft aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft daarmee, aldus de maatschap, miskend dat het initiëren van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betoog faalt. Evenals de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat bij de planologische beoordeling, mits deugdelijk gemotiveerd, van bedoelde afstand kan worden afgeweken en dat het college bij de belangenafweging in het kader van de te verlenen vrijstelling er op goede gronden van is uitgegaan dat de beoogde uitbreiding van de school niet of nauwelijks gevolgen heeft voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van de maatschap.
2.3. De stichting en het college betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij de belangenafweging in het kader van de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO geen rekening heeft gehouden met de eventuele gevolgen van de uitbreiding van de school voor het gedeelte van de percelen van de maatschap waarop het bestemmingsplan “Buitengebied” van toepassing is. Dit betoog slaagt. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat het college geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering op dat gedeelte van de percelen van de maatschap. Zo was van een bouwblok op dat gedeelte van de percelen geen sprake en was de kans dat het verzoek om vergroting van het bouwblok van de maatschap gehonoreerd zou worden, gelet op het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de beleidslijn Ruimte voor de Rivier, uiterst gering, hetgeen bevestigd wordt door de inmiddels door de provincie Limburg en de Cobo-Maas ingenomen negatieve standpunten. Gelet daarop kan niet staande gehouden worden dat het college aan de eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden op dat gedeelte van de percelen van de maatschap doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Daarbij is in aanmerking genomen dat een eventuele uitbreiding van het bouwblok niet dichter bij de school gesitueerd zal worden dan het huidige bouwblok. De uitbreiding van de school zal derhalve ook indien het bouwblok van de maatschap zou worden vergroot niet of nauwelijks gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van de maatschap.
2.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van de maatschap ten onrechte gegrond heeft verklaard en dat het betoog van de stichting dat de voorzieningenrechter, kennelijk met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de op 12 november 2002 verleende bouwvergunning en vrijstelling ten onrechte heeft geschorst, eveneens doel treft.
2.5. Het hoger beroep van de maatschap is ongegrond. De hoger beroepen van de stichting en van het college zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de stichting “Stichting Katholiek Basisonderwijs Gemeente Bergen (Limburg)” gegrond;
III. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bergen gegrond;
IV. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond van 12 augustus 2003, 03/567 en 03/842 WOW44 V1;
V. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Schortinghuis
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004
66-398.